Ondergrond

De ondervloer voor een parketvloer kan uit verschillende materialen bestaan, maar moet steeds aan bepaalde eisen voldoen, zoals de treksterkte, vlakheid, droogtegraad, drukvastheid en afschuifsterkte. Deze eisen zijn niet voor elke parketvloer hetzelfde en moeten geval per geval onderzocht worden. Dit is een taak voor professionals. Toch bespreken wij hieronder enkele basisprincipes.

Soorten ondergronden

  1. Dekvloeren (chapes)

    Dit zijn de meest gebruikte dekvloeren in de hedendaagse woningen en kunnen uit 2 verschillende soorten materialen gemaakt zijn, nl cementgebonden of anhydrietgebonden. Vroeger werden ook nog nagelbare dekvloeren (cement met kurk) geplaatst maar dit is voor de huidige parketopbouw niet meer nodig.

    Op deze ondervloeren kan men een parketvloer lijmen (al dan niet met een onderparket), zwevend plaatsen, of als de dikte het toelaat kan men door middel van een balkenlaag er een parket op nagelen. Het meest toegepast is de verlijming van massieve parket of de zwevende plaatsing van legklaar parket of laminaat.

    Hoewel de meeste chapes een tijdje (2 tot 4 maand, en uitzonderlijk 8 maand) na de plaatsing moeten drogen voordat het parket kan geplaatst worden, bestaat er ook sneldrogende chape die na 3 tot 8 dagen droog is. Deze zijn evenwel duurder dan een gewone chape maar kunnen omwille van de tijdswinst uiteindelijk ook goedkoper uitkomen (sneller te gebruiken en geen huur van bouwdrogers)

    Om te weten hoe lang uw chape kan drogen wordt soms de volgende vuistregel toegepast: 1cm dikte van de chape = 1 week drogen. (alhoewel dit in de praktijk eerder het minimum is dat de chape zal moeten drogen).

  2. Betonvloeren

    Dit is de bodemplaat van uw woning die in de meeste gevallen niet egaal is geplaatst. In de meeste gevallen kan men hierop niet rechtstreeks een parket op plaatsen. Men moet meestal bovenop deze betonvloer een chape of een balkenlaag gaan plaatsen, waarop de parketvloer dan wordt bevestigd

  3. Bestaande stenen vloer

    Bij renovatie van uw woning kan men in sommige gevallen het parket op een bestaande tegelvloer gaan plaatsen. Uiteraard moet men hier altijd rekening houden met de droogte, vlakheid en hechtingskracht van deze ondervloer.

    Voor renovatie van deze vloer kunnen er verschillende werken gebeuren die de plaatsing van een parket mogelijk maken. Gezien de diversiteit van producten en moeilijkheidsgraad van deze materie is een vakkundige opinie noodzakelijk. Gelieve ons hiervoor te contacteren.

  4. Balken structuur

    Indien de ondervloer bestaat uit een balkenlaag kan hierop enkel een dragende parket geplaatst worden. Hiervoor moet de dikte van het parket of plankenvloer minimaal 20mm hout zijn, en minimaal 2 zijden maar best 4 zijdig tand en groef met elkaar verbonden worden. Deze kan opgebouwd zijn uit

    • in massief deel
    • verschillende lagen zoals een plaat (vb WBP, OSB of vezelplaat) met daarop een parketvloer van vb 10mm
    • een samengesteld parket van minimum 20mm

Eisen gesteld aan de ondergrond

De ondergrond moet aan verschillende eisen voldoen vooraleer er met de plaatsing van het parket kan begonnen worden. De belangrijkste factoren zijn:

  • Dimensionele karakteristieken, zoals het peil, vlakheid, ruwheid, horizonaliteit
  • Vochtgehalte
  • Mechanische karakteristieken

Dimensionele karakteristieken

  1. Het peil van de ondervloer is het bovenste niveau van de ondervloer waarop deze ligt of moet komen. Het peil wordt bepaald door de dikte van het parket zodat bij plaatsing van het parket, dit op de goede hoogte komt (vb nul-pas van de woning of gelijk met de aangrenzende vloer) Het peil van de ondervloer is hier dus het peil van de afgewerkte vloer min de dikte van de vloerbekleding. (vb bij een parket van 1cm dik moet de chape op min 1cm van het te bekomen niveau gelegd worden opdat het parket op het goede niveau komt) Indien het peil van de ondervloer niet kan gekozen worden, kan eventueel het parket aan dit peil aangepast worden.
  2. De vlakheid van de ondervloer wordt mede bepaald door de methode van de plaatsing en type parket. De vlakheid wordt gemeten met een rechte rij van 1m en een rij van 2 meter. De openingen onder deze rij moeten onder de volgende richtlijnen zitten.
    • Algemeen kan men stellen dat voor een verlijmde parketvloer onder een rij van 1m, max. 2mm en onder rij van 2m, max. 3mm
    • Bij parket met ondervloer mag dit onder een rij van 1m, max. 3mm en onder rij van 2m, 4mm
  3. Ruwheid

    Voor verlijmd parket mag de ondervloer niet te glad zijn opdat de lijm een voldoende hechting kan verzekeren. Deze kan desnoods opgeruwd worden tot een voldoende hechting kan bekomen worden. Bij zwevende plaatsing is deze factor van ondergeschikt belang
  4. Dimensionele stabiliteit van de ondergrond

    Bij verlijmde plaatsing kan het parket hinder ondervinden van een instabiele ondergrond, door bijvoorbeeld krimp of uitzetting van de ondervloer. Voor de plaatsing van het parket moet men ervoor zorgen dat de ondervloer dus vormvast blijft, zodat deze zich niet verder manifesteren in het parket. De krimp van de ondervloer is bij een nieuwe dekvloer na ongeveer 28 dagen uitgewerkt. Bij vloerverwarming moet men hierbij steeds rekening houden met de werking van de ondervloer, waardoor er sneller een uitzettingsvoeg moet voorzien worden.

Vochtgehalte

Bij plaatsing van een parketvloer hetzij rechtstreeks of onrechtstreeks, is er steeds een maximale vochtigheidsgraad van de ondervloer vereist. Deze wordt onder meer bepaald door de gebruikte materialen en types van ondervloeren.

De vochtigheidsgraad moet dus altijd gemeten worden, en dit best met een calcium-carbide toestel. Elektronische toestellen geven enkel een aanduiding maar geven geen zekerheid.


  • Type dekvloer Absolute vochtigheidsgraad (in massa %)
  • Cementgebonden (zonder vloerverwarming) 2.5
  • Cementgebonden (met vloerverwarming) 2
  • Anhydriet (traditioneel zonder vloerverwarming) 0,6
  • Anhydriet (traditioneel met vloerverwarming) 0.6
  • Anhydriet gietvloer 0.6

Als men een nieuwe ondervloer laat plaatsen, heeft deze een bepaalde tijd nodig om uit te drogen. Deze tijd is afhankelijk van:

  • De temperatuur in de ruimte (aangeraden is de ruimte te verwarmen)
  • De luchtvochtigheid in de ruimte (aangeraden de ruimte te verluchten)
  • De samenstelling van de ondervloer (veel cement zal het droogproces vertragen maar geeft wel een goede sterkte. Te weinig cement is dus ook niet goed!)
  • Vocht uit de ondergrond. Indien de ondervloer niet extra geïsoleerd is van de vloerplaat kan deze ook hiervan vocht opnemen. Er wordt dus aangeraden een extra vochtscherm aan te brengen tussen de ondervloer en de vloerplaat (=betonplaat). Hierdoor zal de chape ook sneller onder de gewenste vochtigheidsgraad komen.

Mechanische karakteristieken

  1. Oppervlaktecohesie

    De oppervlaktecohesie van de vloer is belangrijk bij hechtend parket. Zowel de bovenlaag als de onderliggende lagen moeten een goede hechting vormen. Ook moeten de lagen op zichzelf een goede samenhang hebben. Een chape met een harde toplaag van 1mm waaronder de rest van de chape is verzand kan niet aanvaard worden als ondervloer voor een hechtende parketvloer

    Er bestaan geen vaste waarden maar algemeen wordt aangenomen dat een minimale cohesie van 0.5N/mm2 wenselijk is. Dit is gelijklopend met de druksterkte aan de bovenlaag waardoor men bij een goede stabiliteit een goede cohesie verwacht

  2. Stabiliteit

    De stabiliteit van de ondergrond betekent dat de ondervloer een voldoende mechanische sterkte bezit en onder invloed van een blijvende gebruikersbelasting geen overmatige doorbuiging vertoont (dit valt buiten de bevoegdheid van de parketteur)

    Indien de ondervloer aan een bepaalde druksterkte voldoet zal deze aanvaard worden. De druksterkte wordt gemeten met een dekvloertester (ponstestweerstandsmeter)

    • Druksterkte >= 8 N/mm2
    • Weerstand tegen dynamische pons(Inslagdiepte) <= 3mm (gemiddelde waarde)<= 5mm (maximale waarde)
  3. Thermische eisen

    Hout is een thermisch isolerend materiaal welke dus de warmtetransport van de ondervloer naar de ruimte zal vertragen. Ondanks deze isolerende eigenschap van hout is deze onvoldoende om de volledige opbouw van de vloer te isoleren (volgens thermische reglementeringen). De werkelijke thermische isolatie dient dus in de ondergrond voorzien te worden (vb: tussen balkenlagen een extra isolatie tussen de ribben, onder de chape een extra isolatiechape, enz…)

  4. Akoestische eisen

    Bij het plaatsen van een parket zal men bij het ontwerp en keuze van de vloeropbouw ook rekening moeten houden met de akoestische eigenschappen van de ondergrond en het parket om de bewoners een goed akoestisch comfort te geven.

    De bewoner kan zelf beslissen welke isolerende eigenschappen een vloer moet bezitten afhankelijk van de bestemming van de te bekleden ruimtes. Een belangrijk onderscheid dient wel gemaakt te worden tussen

    • Vloerconstructies binnenin een woning, als scheiding tussen verdiepingen: hier kan de geluidsisolatie van minder belang zijn
    • Woonscheidingen tussen boven elkaar gelegen woningen: hier zijn de geluidsisolerende eigenschappen van groot belang.

    Geluid kan op verschillende manieren geproduceerd worden, waardoor er op verschillende manieren moet op ingegrepen worden. De belangrijkste oorzaken zijn:

    • Contactgeluid : bijvoorbeeld van het belopen van de vloer
    • Luchtgeluid : geluid in de kamer van bijvoorbeeld de televisie

    Beide oorzaken kunnen gedeeltelijk geïsoleerd worden door de goede plaatsing van het parket, mits eventuele aanpassing van de ondervloer. W&A parket zorgt ervoor dat de juiste isolatie wordt gebruikt volgens uw normen.


Copyright © 2019 W&A Parket. All rights reserved. Cookies | Disclaimer | Privacy statement